• 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
  • 11
  • 12
  • 13
  • 14
  • 15
  • 16
  • 17
  • 18
  • 19
  • 20
  • 21
  • 22
  • 23
  • 24
  • 25
  • 26
  • 27
  • 28
  • 29
  • 30
  • 31
  • 32
  • 33
  • 34
  • 35
  • 36
  • 37

Formulewagens

Ook in andere klassen dan de formule 1 heeft Lotus vele overwinningen behaald.
De eerste Lotus formulewagen was de type 12 van 1957, een formule 2 auto. Deze was voorzien van een 1500 Coventry Climax motor. Hij werd ook ingezet in Grands Prix, omdat de 16 nog niet klaar was. Omgekeerd kon de 16 ook als formule 2 worden ingezet.
Vanaf 1960 begon Lotus racewagens maken te voor alle denkbare formuleklassen, die wereldwijd werden ingezet. Veel ontwerpen en onderdelen waren onderling uitwisselbaar, hetgeen talloze mogelijkheden bood.

Image

Image

Formule junior

De Lotus 18 van 1960 was een echte multi-purpose racer: met 2,5 of (vanaf 1961) 1,5 liter motor in de formule 1, maar net zo makkelijk in de formule junior met 1000 cc motor. De latere formule juniors hadden ook veel weg van de overeenkomstige formule 1-modellen, maar verschilden zoveel dat ze hun eigen typenummers kregen: de 20 (1961), 22 (1962) en 27 (1963). De eerste twee hadden een buizenframe, maar de 27 had, net als de 25 F1 een monocoque. De Lotus Formule juniors waren zeer succesvol. Ook vandaag de dag zijn we deze types nog vaak in historische wedstrijden.

Image

Image

Formule 2 en 3

In 1964 kregen deze klassen een nieuw reglement. Het verschil zat hem voornamelijk in de gasfabriek: één enkele valstroomcarburateur voor de F3 en vrije ademhaling via twee dubbele exemplaren voor de F2. De Lotus 31 F3 was in feite een licht gewijzigde 22 Formule junior, terwijl de 32 F2 een doorontwikkeling was van de 27 FJ. Veel auto's konden zowel in F2 als F3 alsook in de Amerikaanse Formule B worden ingezet: de 35 en 41, maar ook de latere 59 en 69, toen beide klassen inmiddels weer over grotere motoren beschikten. De laatste Lotus F3 was de 73 van 1972. Voor de F2 ontwikkelde Lotus enkele specifieke modellen: de 44 (1966), 48 (1967) en 58 (1968). Deze laatste zou in de type 57 een F1 variant krijgen, maar die is er nooit gekomen. In 1973 werd de laatste niet F1-Lotus formulewagen ontwikkeld: de 74 "Texaco Star" F2. De auto was niet succesvol, en vanaf dat moment concentreerde Lotus zich op de F1.

Image

Formule Ford

Halverwege de jaren '60 merkte men dat F3 en FJ te duur werden en bedacht men iets nieuws: Formule Ford. Met een standaard Ford Cortina motor en straatbanden was dit een nieuwe instapklasse. De Lotus 31 werd met deze motor al veel op racescholen gebruikt en was in feite de eerste Lotus Formule Ford. Maar de 51 van 1967, gebaseerd op het 22/31 frame, was de eerste officiële Lotus FF. In 1969 verscheen de 61, het meest bekend van zijn wigvorm. Ook in Nederland werd er veel met deze auto's gereden, onder andere door Ton Strous en Roelof Wunderink. Lotus maakte er bijna 250, maar de afzet stagneerde en het feit dat er een groot aantal onverkochte auto's was, leidde tot de ondergang van de productie van raceauto's voor klanten door Lotus. Ook vandaag de dag zien we de 61 nog regelmatig in historische races aan de start. De 69 van 1970 was een gecombineerd F2, F3 en FF chassis. In 1980 reed Bob Peereboom nog met een 69 in het Nederlandse FF-kampioenschap.

Image

Image

Indycars

In 1963 debuteerde Lotus op Indianapolis met de 29, voorzien van een 4.2 liter Ford Fairlane V8. Ze wonnen bijna. De auto's werden verkocht en Lotus kwam het jaar daarop met de 34. Jim Clark pakte de pole, voor een 29 en Dan Gurney was vierde. Het optimisme was groot. Bandenproblemen deden het team echter de das om. In 1965 was er een nieuwe auto, de 38, en een nieuwe bandenleverancier. Jim Clark won de Indy 500 met overmacht. De 42 van 1966 zou voorzien worden van een 4.2 liter versie van de BRM H-16 motor, maar werd geen succes.

Image

Voor 1968 schakelde Lotus daarom over op een hele andere krachtbron: de gasturbine. De 56 was voorzien van een Pratt&Whitney gasturbine en 4-wielaandrijving. Hij was snel, maar onbetrouwbaar. Na het seizoen veranderde men de regels, zodat hij niet meer mocht deelnemen, maar de 56 zou in 1971 wel in de Formule 1 starten! Lotus bleef de 4WD trouw met de 64 van 1969. De auto had een 2.6 liter turbo V8 met meer dan 700pk. Hij was snel, maar kwam door technische problemen en zakelijke conflicten niet aan de start. In 1985 ontwierp Lotus nog een keer een Indycar, de 96T. Weer met Ford V8 van 700+ pk. En weer werd het niets, met als oorzaak zakelijke conflicten en de gevestigde orde die Lotus liever zag gaan dan komen.

Image

Andere klassen

Veel Lotus-chassis werden door de eigenaars omgebouwd. Zo zijn allerlei Formule Juniors omgebouwd tot F1 auto's. In Australië en Nieuw Zeeland was er het Tasman kampioenschap voor oude F1 auto's met 2,5 liter motoren. In 1965 bouwde Lotus hiervoor een one-off, de 39.
Ook was er de formule 5000, voor ex-F1 auto's (3 liter) en auto's met 5 liter productiemotoren. Hiervoor ontwikkelde Lotus in 1970 de 70. En dan had je nog de formule libre, ofwel vrije formule. In Nederland reed daarin b.v. Jan van Straaten met een oude Lotus 24 formule 1 voorzien van een alternatieve krachtbron.

Image

Tenslotte is er de Formule Opel (of Vauxhall) Lotus. Deze klasse ontstond in 1988 toen General Motors de eigenaar was van Lotus. Lotus was betrokken bij het ontwerp, maar beschikte al 15 jaar niet meer over de capaciteit om formulewagens in grote hoeveelheden te produceren. De chassis werden dan ook gemaakt bij Reynard, en later zelfs in Duitsland. Hoewel er Lotus op het chassisplaatje staat, kan je hier natuurlijk over twisten. Toen GM Lotus verkocht, werd de klasse omgedoopt in Formule Opel. Het Europees kampioenschap voor deze klasse leverde een aantal grote namen op waaronder Hakkinen ('88), Verstappen ('92) en in het laatste jaar (2000) Takuma Sato.

Image

Image